(foto Annelies van der Vegt)
Erik Voermans (rechts op de foto boven) maakt sinds het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw muziek die je bij gebrek aan een beter woord ambient-gitaar-soundscapes zou kunnen noemen. Langzame nachtmuziek, met een centrale rol voor loops, een beetje zoals de frippertronics van Robert Fripp, maar dan anders.
In de 21ste eeuw ontdekte hij dat je met behulp van software op de computer kon doen alsof je een componist was. Om het voor hem al te beladen woord componeren te vermijden, bedacht hij het woord compuneren. Maar hij wist wel beter natuurlijk.
Met het verstrijken van de jaren maakte hij inmiddels 26 cd’s, die zijn verschenen op de labels Basta (www.bastamusic.com) en Attacca (www.attaccaproductions.com) en deels in eigen beheer zijn vervaardigd. De officieel uitgebrachte albums zijn allemaal via Spotify en andere digitale kanalen te beluisteren. De werkenlijst telt inmiddels meer dan 100 stukken. Het kortste heeft de lengte van een popliedje, maar er zijn er ook van een half uur (het titelstuk Still op de Attacca-cd), bijna een uur (Mehr Gefühl bitte!, een ‘concert’ voor elektrische gitaar, orkest en elektronica ) en ruim een uur (de tiendelige cyclus Le baptème de la solitude voor piano en electronica, en het meerdelige orkestwerk Irish Landscapes).
Naast de cd’s met ‘modern-klassieke muziek’ maakte hij ook tot nu toe zeven cd’s met gitaar-ambient. De voorlaatste heet The Dying of the Light, met daarop twee lange stukken die zijn opgedragen aan Brian Eno, omdat voor het muzikale fundament gebruik is gemaakt van diens generatieve muzieksoftware. De laatste, in 2021 verschenen, is Een Kwestie Van Smaak Wellicht, waarop Voermans ambient achtergronden combineert met cubistische gitaarsolo’s, die soms amper meer als gitaarsolo’s te herkennen zijn.
In juli 2019 kwam op Attacca Godenlicht uit, waarop trompettist Eric Vloeimans te horen is, net als op Nocturnal Ghost Songs uit 2005.
Eind 2023 verscheen op hetzelfde label cd nummer 25, The Tale of Orpheus & Eurydice, waarop Yuri Honing ontroerende bijdragen levert op sopraan- en tenorsax. Het veelgelezen muziekblad Luister honoreerde het album met een 10 (lees de recensie in de afdeling In de pers).
In 2025 zag het album CHARMS het licht, dat uitsluitend langs digitale weg is te beluisteren op Spotify, YouTube, en dertig andere platforms. Gezien de geringe belangstelling voor de alternatieve, polystilistische muziek die Voermans maakt, beschouwt hij het uitbrengen van cd’s of vinyl als weinig zinvol meer.
Muziek bestellen? Dan kan eenvoudig via onderstaande links.
For the past thirty years Erik Voermans (that would be me) has made music that for lack of a better word could be called ambient guitar soundscapes. Slow night music, often based on loops, in the early days heavily influenced by Robert Fripp’s frippertronics. In later years my idiom evolved into a more personal style.
Thusfar I have made 26 cd’s (and counting), some of which were commercially released on the Basta label (www.bastamusic.com) and on Attacca (www.attaccaproductions.com). The ones on Basta are all sold out. They can only be listened to on Spotify etc. The cd’s on Attacca are still available.
Over Guitar Tributes Vol. 1 en Vol. 2
Een paar jaar terug stuitte ik, ploegend door de oerwouden van Spotify, op het nummer Guitar Heroes van Richard Thompson. Daarin bezingt hij zijn gitaarhelden van weleer (Django Reinhardt, Scotty Moore, Chuck Berry, Hank B. Marvin en James Burton) en doet hij een zeer overtuigende poging hun speelstijlen te imiteren. Aan het slot van het nummer zingt hij ‘I still don’t know how my heroes did it’. Ik vond dat veel te bescheiden, want de stijlimitaties waren in de roos. Vreselijk goede gitarist natuurlijk ook, die Thompson. Hij bracht me op een idee. Ik besloot ook mijn gitaarhelden te imiteren, alleen niet, zoals hij allemaal in één nummer gepropt. Bij mijn kreeg elke held zijn eigen song. Het werden uiteindelijk 21 nummers, die ik verdeelde over twee albums: Guitar Tributes Vol. 1 en Vol. 2. Ze staan beide op Spotify en noem alle andere streamingsdiensten maar op. Het leek me een mooi project om mee te vieren dat ik in 2025 vijftig jaar gitaar speel. Bizar besef trouwens. Voor de gelegenheid mat ik me een pseudoniem aan: VR Noisemaker, een anagram van mijn naam.
Ter informatie hier een interview.
Met welke hommage begon je?
Carlos Santana was de eerste. Met bandjes waarin ik in mijn jonge Haagse jaren speelde, speelden we strijk en zet Samba Pa Ti. Nog steeds vind ik dat een van zijn mooiste nummers. Voor mijn hommage heb ik Oye Como Va als model genomen. Dat zal voor iedereen herkenbaar zijn. Ik vind Santana een unieke gitarist. Onmiddellijk herkenbaar en als lyricus door weinigen geëvenaard. Prachtige toon ook altijd.
Ik heb hier m’n Gibson SG gebruikt, het instrument dat Santana aan het begin van de jaren zeventig ook bespeelde.
Zullen we ze verder even langsgaan? Wat kun je zeggen over David Gilmour?
Ik heb hem altijd geweldig gevonden; zijn sound, zijn melodische bluesy spel zonder technisch vertoon. Met name de elpee Wish You Were Here maakte destijds diepe indruk. Het lag dus voor de hand dat ik met iets Shine On You Crazy Diamond-achtigs zou beginnen. Verder wilde ik er net zo’n cinematoscopische gitaarsolo in hebben als in Comfortably Numb.
Om de goede sounds te vinden heb ik een van m’n Strats (Fender Stratocasters, red.) van nieuwe elementen voorzien, Texas Specials, die een hogere output hebben dan de Custom Shop 69’s die ik er eerder op had gezet. Zo viel alles op z’n plek.
De Gilmour-tribute begint met gedragen akkoorden waar ik een typerende cleane Gilmoursolo overheen speel. Daarna wordt het veel bombastischer en dan eindigt het met een coda die ook zo op Wish You Were Here had kunnen staan. Dat begin en einde leunen aan tegen een pastiche, maar dat is natuurlijk juist de grap ervan.
Albert King.
Van de Drie Koningen, BB King, Freddie King en Albert King, spreekt Albert, de oudste van het stel, me het meeste aan, hoewel hij technisch beperkter is dan de andere twee. Hij speelde als linkshandige op een rechtshandige gitaar, waardoor alle snaren voor hem verkeerd om zaten. Hij speelde feitelijk ook maar een handvol licks, maar de uitdrukkingskracht ervan blijft monumentaal. In mijn hommage gebruik ik een tekst van Leadbelly. Albert King speelde meestal op een Gibson Flying V uit 1958, maar die heb ik niet, dus toen werd het weer de Strat met de Texas Specials.
Adrian Belew.
Sinds Discipline van King Crimson ben ik een groot fan van Belew. Voor deze hommage ging ik te rade bij Crosseyed and Painless van Talking Heads, waarin hij een paar zeer fraaie solo’s speelt, en bij Tom Tom Club, waar hij ook in zat. Ik vind Belews zang veel lijken op die van David Byrne, dus daar heb ik ook een gooi naar gedaan.
Robert Fripp.
Ik was volledig ondersteboven toen ik kennismaakte met Fripps minimalistische loopmuziek die hij Frippertronics doopte. Op een plaat als Let The Power Fall klonk zijn gitaar als een soort strijkkwartet. Dat wilde ik ook, maar het heeft wel even geduurd voordat het zover was. De hommage aan Fripp op dit album maakte ik al in 2008, destijds ter gelegenheid van 35 jaar Frippertronics. Ik heb daar toen mijn eerste Strat, een Mexicaan, voor gebruikt, die niet heel beroerd klonk, en een Boss GT-5 Guitar Effects Processor, een fossiel apparaat inmiddels.
Ry Cooder en Lowell George.
Twee geweldige slidegitaristen, met beiden een geheel eigen stem. Cooder speelt vooral melodisch, Lowell is dol op aanglijdende akkoordjes. Voor de Lowell-sound heb ik net als hij twee compressors gebruikt, die het geluid helemaal plat drukken en voor een lange sustain zorgen. In de hommage hint ik naar Dixie Chicken van Little Feat. Voor de Cooder-feel heb ik ook nog een accordeon toegevoegd. Flaco Gimenez zal me ongetwijfeld uitlachen.
Gary Moore.
Ik heb platen van hem waarop hij in Colosseum II en G Force muziek maakt die ik tegenwoordig afgrijselijk vind. Hij noemde dat zelf zijn stuurloze tijd. Pas toen hij de blues herontdekte, kwam hij tot volledige bloei. Prachtig vibrato, opwindende supersonische loopjes die altijd doorleefd klinken en een take no prisoners-sound die net aan de goede kant van de persiflage zit.
Mijn hommage moest een langzaam nummer worden, dat wist ik al meteen, een beetje in de stijl van Parisian Walkways. Die snelle gitaarbreak daarin, op tweederde, vind ik nog steeds om van te watertanden. Moore speelt daar op de Les Paul Standard uit 1959 die hij in de vroege jaren zeventig van Peter Green voor 100 pond of daaromtrent had overgenomen. In 2006 kwam hij in geldnood en verkocht hij de gitaar voor een miljoen dollar.
Hiervoor moest ik uiteraard mijn eigen Les Paul Standard gebruiken.
Billy Gibbons.
Ik ben dol op zijn gitaarsound en op zijn heerlijk smerige spel, maar hij heeft ook iets clownesks, met die baard, die hoed en die maffe handgebaartjes, om nog maar te zwijgen van ZZ Tops videoclips met babes en sportauto’s. En laten we ook al zijn customgitaren niet vergeten, met als toppunt de Gretsch Bo Diddley Fur Guitar, bekleed met schaapsvacht, of wat het ook mag wezen. Je kunt het allemaal ook zien als een bewijs van intelligentie. Gibbons snapt dat die showbizwereld één grote grap en uiterlijk vertoon is, maar ik heb mijn gitaarhelden toch liever serieus, geloof ik. Daarom ook het refrein in mijn hommage: ‘Billy, Billy Billy, Billy, why always so silly?’.
Om z’n geluid te benaderen heb ik m’n Les Paul gebruikt.
Stevie Ray Vaughan krijgt zelfs twee hommages.
Ja. Een snelle op Vol. 2 en een langzame op Vol. 1. Ik kon niet kiezen. De snelle is een soort Texas-shuffle, waarin de solo’tjes steeds beginnen met een karakteristieke lick, die hij van Albert King heeft gepikt. En hij heeft ook met meer dan een half oor naar Albert Collins geluisterd. Maar goed, wie niet.
De langzame is een blues in mineur, enigszins geënt op Tin Pan Alley van zijn tweede album Couldn’t Stand The Weather. Ik gebruikte m’n oudste Strat, die ik net van een nieuwe slagplaat met elementen had voorzien, EMG DG 20’s in dit geval. Daar zitten geen toonknoppen op, maar wel knoppen waarmee je het laag, midden en hoog van het frequentiegebied kunt oppeppen. Op die manier kun je thuis op een laag volume, bij gebrek aan een Blackface Twin Reverb op standje 10, toch die sound van Vaughan een heel klein beetje benaderen.
Je hebt het ook aangedurfd Jeff Beck na te doen.
Gelukkig is hij dood en kan hij het niet meer horen, want zoiets is natuurlijk tot jammerlijk mislukken gedoemd. Hopelijk kom ik op een paar momenten toch enigszins in de buurt. Het idee was voortdurend iets verrassends te spelen, gebruik makend van zijn stijlkenmerken. Nou ja, ik heb mijn best gedaan. Beck is toch een beetje de ultieme held. De kenners zullen een karakteristiek loopje van een nummer op Blow By Blow herkennen, dat ik een extra staartje heb gegeven, en misschien ook de gruffy sound die hij op die plaat heeft.
Jimmy Page.
Op de studioplaten van Led Zeppelin speelt hij altijd meesterlijk. Live vond ik hem vaak slordig, maar ik geloof niet dat hij op het podium ooit één noot heeft gespeeld zonder stijf te staan van de middelen, dus hij is hierbij geëxcuseerd. De grootste uitdaging bij deze hommage was de zang van Robert Plant. Gelukkig bleek er een gillende keukenmeid in me te huizen.
Robin Trower.
Ook iemand naar wie ik vroeger veel heb geluisterd, vooral naar dat live-album met die prachtige versie van Daydream. In mijn hommage hoor je aan het slot dezelfde akkoorden en ik citeer ook een paar melodische flarden. Bij gebrek aan een goeie uni-vibe heb ik zijn geluid helaas niet echt te pakken gekregen, maar ik hoop dat er evengoed wel iets herkenbaars in zit. Trower speelde op Strats, maar ik gebruikte m’n Telecaster JD, met een Strat-halselement.
Roy Buchanan ontbreekt ook niet.
Ik heb heel veel naar Buchanan geluisterd in mijn vormende jaren. In mijn hommage komt alles langs, van de snijdende Telecastersound en de flageoletten tot de wahwah-zweltonen met de toonknop en de bekende circustrucs, zoals ver boven de toets spelen. Ook het lullige orgeltje is aanwezig. Ik vind Buchanan een beest.
Peter Green.
Voor mij loopt er een directe lijn van Peter Green naar Gilmour en vooral Santana. De lyriek en de economie van zijn spel ontroeren me op zijn beste momenten diep. Ik heb hem in 2000 in BB King Blues Club & Grill in New York zien spelen, ver na zijn gloriejaren, en dat was helaas een droef stemmend gezicht. Gesloopt door de medicijnen was hij geen schaduw meer van zijn briljante oude zelf.
Voor mijn hommage ging ik te rade bij The Supernatural uit 1968, toen Green nog een 21-jarige Bluesbreaker was. Helemaal aan het eind zit ook nog een knipoog naar Black Magic Woman, toen hij inmiddels in Fleetwood Mac speelde. Voor dat zwaar vervormde Les Paulgeluid bracht mijn Telecaster Deluxe uitkomst, vanwege de Black Dove-elementen, een soort P90’s.
Walter Becker.
De meest onderschatte gitarist van allemaal, vind ik. Ik ben vooral diep onder de indruk van de melodieën die hij op de laatste platen van Steely Dan en op zijn solo-albums speelt. Hij heeft een kanon van een toon en een perfecte, ultralekkere timing en kan met weinig noten oneindig veel zeggen. In mijn hommage citeer ik helemaal aan het einde een stukje uit zijn solo in Cringemaker van zijn eerste soloplaat, 11 Tracks Of Whack.
Becker speelde in zijn latere jaren op een Sadowsky Signature Model, een superstrat naar eigen voorkeuren ontworpen. Ik kwam op m’n Strat met Texas Specials een behoorlijk eind in de buurt.
De andere gitaarsolo’s in deze hommage hebben weinig met Becker te maken, maar zitten meer in de LA-sessiegitaristenhoek; de wereld van Jay Graydon, een absolute geweldenaar trouwens. Het eerbetoon zit hem vooral in de tekst, waarin wordt geknipoogd naar Turn That Heartbeat Over Again, een nummer op Can’t Buy A Thrill. En de sitarsolo na het tweede refrein is een eerbetoon aan Denny Dias’ meesterlijke bijdrage aan Do It Again.
Verreweg het meeste werk heb ik hier gehad aan de vocalen, aan de koortjes, wat bij Steely Dan het pakkie-an was van Donald Fagen. Zo krijgt ook The Don een stiekem eerbetoon.
David Lindley.
Lindley raakte me voor het eerst recht in het hart met zijn solo’s in Late for the Sky van Jackson Browne, vooral die twee nootjes bijna helemaal aan het slot, zowat in de fade-out. Van mij had hij nog rustig een paar minuten door mogen gaan. In mijn hommage heb ik vooral geprobeerd zijn toon, met dat randje vervorming, en zijn feel te benaderen. Dat het uiteindelijke resultaat meer dan eens ook Mark Knopflerachtig klinkt, komt ongetwijfeld door de sound van de Strat in standje 4. Nou ja, dan heeft ook Knopfler hierbij zijn hommage.
Wilko Johnson.
Ik wilde nog altijd eens een nummer schrijven dat in één akkoord doordendert. In deze hommage hint ik naar Sneakin’ Suspicion en ook een beetje naar Ian Dury & The Blockheads, waar Johnson ook nog even heeft gespeeld. De brug van mijn hommage zou hij zelf natuurlijk nooit zo hebben gedaan, maar het eerbetoon zit hem dan ook vooral in de tekst, gezongen met een heel slecht plat Engels accent. Ik hoop dat Wilko het me vergeeft.
Jimi Hendrix.
Een poging doen om Hendrix te imiteren getuigt natuurlijk van idiote overmoed, maar het zou raar zijn geweest als juist hij had ontbroken. Ik heb het een beetje gezocht in Voodoo Chile-sferen, de lange versie op Electric Ladyland, maar dan met een industriële beat in plaats van een Mitch Mitchell-achtige drumpartij. M’n broer Wim speelt een gastrol op zijn Fender Jazz Bass. Ik heb zelf een Schecter gebruikt en het geluid voorzien van een psychedelische delay.
Terry Kath.
Een vergeten grootheid. Hij was de ster van wat toen nog Chicago Transit Authority heette. Jimi Hendrix was een fan. Mijn hommage is een variant op Kaths Free Form Guitar, waarin hij zes minuten lang alleen maar met feedback improviseert. Hendrix vond het geweldig en heeft er zijn voordeel mee gedaan. Dit nummer speel ik op mijn Schecter met een sustaniac-element. Daardoor kon ik op kamervolume naar hartenlust feedbacken.
Tot slot, George Longfield. Nooit van gehoord. Wie is dat?
In mijn Haagse jaren zat ik in een jazzrock-bluesbandje met Sjors Langeveld, die destijds, we schrijven 1977, al vier jaar gitaar speelde. Ik speelde pas twee jaar en kon nog niks. Ik keek huizenhoog tegen Sjors op en heb veel van hem geleerd. Hij klonk een beetje als de vroege Bill Connors, die ik destijds fantastisch vond en die in mijn hommage ook eer. Sjors had op zijn gitaarkoffer in het Engels zijn naam geschreven, vandaar de titel. Hij speelde vaak met een phaser, dus dat heb ik hier ook gedaan. En helemaal aan het eind hoor je een karakteristieke riedel van Jan Akkerman, die daarmee ook een eerbetoon heeft gekregen. Een apart aan hem gewijd nummer kreeg ik niet voor elkaar helaas.
Er ontbreken nogal wat gitaristen op de twee albums.
Ze ontbreken bijna allemaal, zou ik zelfs durven zeggen. Daar is een eenvoudige reden voor. Ik kan nu eenmaal niet spelen zoals Eddie Van Halen, John McLaughlin, John Scofield, Wes Montgomery, Robert Johnson, Bukka White, Paco de Lucia, Allan Holdsworth, Scott Henderson, Scotty Moore, Tony Rice, Ralph Towner, Duane Allman en Frank Zappa, om wat gitaristen te noemen die ik allemaal hogelijk bewonder en die ook een hommage verdienden. Vanwege technisch en muzikaal tekortschieten, moest ik me beperken tot vooral de rock- en bluesgitaristen die belangrijk voor me waren en wier stijl ik een klein beetje in de vingers dacht te hebben. Die gitaristen die ik net noemde, komen in een volgend leven. Dan begin ik op mijn vierde en neem ik les. Wie weet wordt het dan ooit nog eens wat.
Guitar Tributes Vol. 1 en Vol. 2 van VR Noisemaker zijn te beluisteren op Spotify en andere streamingplatforms.
————————————————————————————————————————–

